"De Rechten van den Strijder"

Op datum van 11 november 1920 verstuurt Joseph Hens een aanvraagformulier gericht aan het "Strijdersfonds" in de Wetstraat nr 2 te Brussel. In de hoofding van dit formulier staat oa. te lezen :

"Vragenlijst betrekkelijk het vaststellen der rechten van den strijder op het voordeel der wet van 25 augustus 1920, die een blijk van dankbaarheid toekent aan de militairen van den oorlog 1914-1918".


Deze aanvraag draagt de stempel van de Gemeente Mol en is medeondertekend door de Burgemeester ..
Joseph Hens verklaart hierin dat hij dienst nam op 1 augustus 1914 bij het 12de Linie, daarna op 1 april 1915 bij de Génie van de 3 de Legerdivisie tot zijn "verlof" op 15 maart 1919.
Hij verklaart geen veroordelingen te hebben opgelopen en 8 frontstrepen te hebben ontvangen.
Bij het bedrag van de reeds ontvangen uitkeringen vermeldt hij 1200 franken, evenals de 300 frank als "Begiftiging voor 't herstel der haardstede ".
Hij verklaart ook lid te zijn van de V.0.S. van Mol ( Verbond van Vlaamse Oudstrijders ).

( Merkwaardig hier is wel dat hij op dit document van 11 november 1920 reeds zijn 8 frontstrepen vermeldt. Dit is opmerkelijk omdat de aanvraag voor de toekenning van deze 8 frontstrepen aan de "PLACE FORTE DE LIEGE" slechts op 25 maart 1921 wordt opgesteld door de Kapitein-kwartiermeester , op 25 april 1921 als "favorable" wordt goedgekeurd, en op 13 mei 1921 wordt toegekend door de Commandant van de Divisie te Luik.)

"De berekening"

De totale oorlogsdiensttijd van Joseph wordt hier berekend van 1 augustus 1914 tot 31 januari 1919, of 4 jaar en 6 maanden (= 54 maanden).
Voor de berekening van de "allocation" of de vergoeding die moet toegekend worden
( formulier A N° 93.683) wordt op 6 juni 1921 een verificatie van deze diensttijd uitgevoerd door de "Officier vérificateur" Timmerman , en bij de duur van het verblijf aan het front wordt deze 54 maanden ingevuld .

Toch wordt op hetzelfde formulier nu slechts 52 maanden genoteerd voor de berekening . Er wordt immers voor deze berekening alleen rekening gehouden met de volle maanden tussen het begin van de oorlog op 01/08/1914 tot de wapenstilstand op 11/11/918, de werkelijke duur van de oorlogstijd zelf.
Er staat immers voluit met de hand geschreven :
"Cinquante-deux mois d'allocations à 75 francs"
En inderdaad, op een brief van een week later (15 juni 1921) die door het Ministerie van Defensie wordt gestuurd aan het Strijdersfonds ( Note pour le Fonds des Combattants), opnieuw ondertekend door dezelfde "Officier vérificateur" Timmermans en ondertekend p.o. voor de Minister door 1ste bureauchef Dehaen, staat de merkwaardige berekening :

  • 52 maanden aanwezigheid aan het front recht gevend op 3900 fr
  • Géén maanden aanwezigheid in de achterlijn
  • Geen maanden ontheffing van het recht op de dotatie
Onmiddellijk hieronder wordt met de hand een berekening toegevoegd nl. de reeds vroeger ontvangen 1200 frank wordt opgeteld bij de 300 frank familiebegiftiging ( samen 1500 frank ) en deze som wordt afgetrokken van 3900 zodat er finaal 2400 frank overblijft . Op 13 september 1921 wordt deze 2400 frank toegekend als nog te betalen "aandeel van den strijder".

naar Boven