De loting

In het begin van de twintigste eeuw werd de inlijving in het Belgisch leger nog steeds bepaald door het systeem van loting en plaatsvervanging.
De militiewet van 21 maart 1902 bepaalde dat de aanmonstering bij het leger gebeurde door vrijwillige dienstneming. Bij de ondertekening ontving de vrijwilliger 300 frank (handgeld). Dat was in die tijd een aardig bedrag voor een minder gegoede jongeman,wat hem toeliet op het einde van zijn actieve legerdienst met zijn spaargeld meubelen en huisraad te kopen en te trouwen. Deze vrijwilligers-ronseling volstond echter niet om het voldoende aantal manschappen te behalen en daarom werd het contingent aangevuld met dienstplichtigen, die jaarlijks werden opgeroepen en aangeduid met het lotingsysteem.

De loting was verplicht voor jonge mannen in het jaar van hun twintigste verjaardag en vond plaats in de hoofdplaats van het hiervoor opgerichte militiekanton. Elk jaar moesten de jonge mannen gaan loten om te weten wie naar het leger moest en wie niet.
In de hoofdplaats van elk kanton, wat Mol ook was, werd er jaarlijks een lotdag ingericht. Voor het gemeentehuis stond op een tafel een grote bokaal met houten kokertjes waarin een opgerold papiertje zat met een nummer. In alfabetische volgorde bestegen de lotelingen een podium en nadat een onderofficier de lotelingstrommel had gedraaid, trok de loteling een kokertje met daarin een opgerold briefje met erop een nummer. De militiecommissaris, een officier met ten minste de rang van luitenant-kolonel, haalde met een potlood het opgerolde papier uit het kokertje en las het nummer voor.
Jaarlijks maakte de krijgsmacht een tabel op met het aantal manschappen dat nodig was om de contingenten op sterkte te houden. Op basis van deze gegevens werd berekend hoeveel personen er moesten geloot worden per provincie, kanton, stad, gemeente of dorp. Jaarlijks werden zo 10.000 tot 12.000 jonge mannen daadwerkelijk via de loting opgeroepen. Bij de twintigjarigen moest zo ongeveer 1 op 4 onder de wapens. In de praktijk kwam het er op neer dat de nummers lager of gelijk aan het aantal dat nodig was om de regimenten te bevolken zich er hadden "ingeloot". De lange duur van de militaire dienst - tot vier jaar - en het gebrek aan hygiëne zorgde inderdaad voor weinig enthousiasme en onze voorvaderen beproefden dan ook vele middelen om het noodlot te bezweren.
De goede (hoge) nummers - er waren er steeds meer lage en dus slechte - werden na de gelukkige loting dikwijls ingelijst. Iedereen kon zijn lot verkopen, de zoon van een rijke heer kon zich dus veroorloven een laag lotje te verkopen aan een arme sukkelaar om in zijn plaats dienstplicht te gaan vervullen.
De wet van 18 november1909 stelde een eind aan dit systeem en voerde de verplichte legerdienst in. Voortaan zou één zoon per gezin onder de wapens worden geroepen. Vanaf 1913 wordt de algemene persoonlijke dienstplicht ingevoerd.

                                                  .........................................................................................................................................................TERUG